Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
22 september 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte behandeld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Het geschil betreft de vraag of het voorschrift van artikel 51 (oud) Sv, dat vereist dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan de raadsman van de verdachte wordt verzonden, is nageleefd.
De advocaat-generaal concludeerde dat dit voorschrift niet was nageleefd, omdat uit de stukken bleek dat geen afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman was gezonden voorafgaand aan de behandeling in hoger beroep. Dit verzuim staat een geldige behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van verdachte en diens raadsman in de weg.
De Hoge Raad sluit zich aan bij deze conclusie en vernietigt het arrest van het hof. Vervolgens wijst de Hoge Raad de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting en afdoening, waarbij het voorschrift van artikel 51 (oud) Sv moet worden nageleefd.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 22 september 2020.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens niet-naleving van artikel 51 oud Sv.