De verdachte stelde zich in hoger beroep tegen een verstekvonnis van de politierechter. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk omdat geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan zijn raadsman was gezonden, wat volgens artikel 51 (oud) Sv vereist is.
De advocaat-generaal bij de Hoge Raad stelde dat dit voorschrift van groot belang is voor de belangen van de verdachte en dat het niet naleven daarvan de geldige behandeling van de zaak in hoger beroep verhindert. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de niet-ontvankelijkheid had vastgesteld zonder dat het voorschrift was nageleefd.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing. Er werden geen andere gronden voor vernietiging gevonden.
De procedure illustreert het belang van correcte processtukken en communicatie met de raadsman in hoger beroep, vooral bij afwezigheid van de verdachte zelf. De zaak wordt opnieuw behandeld met inachtneming van het voorschrift dat een afschrift van de appeldagvaarding aan de raadsman wordt gezonden.