Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 29 mei 2020 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [1]
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een gewezen bestuurder van een vennootschap onder firma (vof) aansprakelijk kan worden gesteld voor nageheven omzetbelasting over perioden waarin hij bestuurder was, ook nadat hij is afgetreden. Belanghebbenden, erfgenamen van de voormalige bestuurder, voerden in cassatie aan dat artikel 33 lid 1 aanhef Pro en letter a van de Invorderingswet 1990 niet van toepassing zou zijn op gewezen bestuurders.
De Hoge Raad overwoog dat de bewoordingen van artikel 33 lid 1 IW Pro 1990 zowel een uitleg toelaten waarbij gewezen bestuurders onder de aansprakelijkheid vallen als een uitleg waarbij dat niet het geval is. De strekking van de bepaling is echter dat personen die invloed kunnen uitoefenen op het betalen van belastingschulden, waaronder bestuurders, aansprakelijk zijn voor belastingschulden die zijn ontstaan tijdens hun bestuursperiode.
De Hoge Raad verwierp het betoog dat de aansprakelijkheid eindigt bij het aftreden als bestuurder. Dit zou het praktische nut van de aansprakelijkheid ernstig beperken. Ook de regeling in artikel 36 lid 5 IW Pro 1990, die een aparte positie van de gewezen bestuurder regelt, staat niet in de weg aan toepassing van artikel 33 IW Pro 1990. De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de aansprakelijkheid van de gewezen bestuurder voor de belastingschulden van de vof.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de aansprakelijkheid van de gewezen bestuurder voor de belastingschulden van de vennootschap onder firma.