Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 maart 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een beherend vennoot van een commanditaire vennootschap aansprakelijk is voor schulden die zijn ontstaan voordat hij toetrad. De commanditaire vennootschap Carlande Dienstverlening C.V. was opgericht op 2 februari 2010 en had verplichtingen jegens het Pensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg. De eiser werd op 17 augustus 2010 beherend vennoot.
Het Pensioenfonds legde ambtshalve aanslagen op voor pensioenpremies vanaf februari 2010, dus ook voor de periode vóór toetreding van de eiser. Zowel de kantonrechter als het hof wezen de vordering van het Pensioenfonds tot betaling toe en bevestigden dat de eiser aansprakelijk was.
De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke bepalingen in het Wetboek van Koophandel (art. 18 en Pro 19) de beherend vennoten hoofdelijk verbinden voor alle schulden van de vennootschap, ook die ontstaan vóór toetreding. Dit beschermt schuldeisers en bevordert rechtszekerheid. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aansprakelijkheid van de eiser voor de volledige schuld, inclusief die uit de periode voor zijn toetreding.
Uitkomst: De beherend vennoot is hoofdelijk aansprakelijk voor pensioenpremies van de vennootschap, ook voor de periode vóór zijn toetreding.