Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Overlijden van de verdachte
3.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake medeplichtigheid aan het telen en aanwezig hebben van hennep in een woning, zoals bedoeld in de Opiumwet.
De verdachte was overleden op 29 september 2019 in Spanje, wat werd vastgesteld aan de hand van een gewaarmerkt uittreksel van de burgerlijke stand. Op grond van artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht verviel hierdoor het recht tot strafvordering.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en vermindering van de straf, maar later tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het gerechtshof en het vonnis van de rechtbank Den Haag en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging vanwege het overlijden van de verdachte.
Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 6 oktober 2020.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het overlijden van de verdachte.