Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake diefstal met geweld. De verdachte was veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf van tachtig uur en subsidiair veertig dagen hechtenis.
Het cassatieberoep richtte zich primair tegen de toepassing van vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad oordeelt dat deze toepassing onjuist was en vernietigt het hofarrest voor zover vervangende hechtenis is toegepast. In plaats daarvan kan gijzeling van gelijke duur worden toegepast, conform eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2020:914).
Daarnaast is geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden vanwege te late aanlevering van stukken door het hof. Gezien de lichte strafoplegging is er geen aanleiding tot een ander rechtsgevolg dan vermindering van de straf. Het beroep wordt verder verworpen.
De Hoge Raad bepaalt aldus dat de straf wordt verminderd wegens termijnoverschrijding en wijst op de mogelijkheid van gijzeling in plaats van vervangende hechtenis bij schadevergoeding.
Uitkomst: Vervangende hechtenis bij schadevergoeding vernietigd, gijzeling mogelijk, en straf verminderd wegens overschrijding redelijke termijn.