ECLI:NL:HR:2020:1635

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 oktober 2020
Publicatiedatum
15 oktober 2020
Zaaknummer
19/04036
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:162 BW
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bestuurdersaansprakelijkheid en benadeling schuldeiser in civiele zaak

In deze civiele zaak staat de bestuurdersaansprakelijkheid centraal, waarbij eiser betoogt dat verweerder persoonlijk aansprakelijk is voor benadeling van een schuldeiser. Het geschil betreft de toepassing van artikel 6:162 BW Pro in combinatie met artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties, waaronder de rechtbank Oost-Brabant en het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin de aansprakelijkheid en het persoonlijk ernstig verwijt zijn beoordeeld. In cassatie zijn de klachten van eiser tegen het arrest van het hof beoordeeld, maar deze leiden niet tot vernietiging.

De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/04036
Datum16 oktober 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: aanvankelijk J.W. de Jong en thans J.P. Heering,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaat: M.A.J.G. Janssen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/01/294727/HA ZA 15-422 van de rechtbank Oost-Brabant van 4 mei 2016 en 18 januari 2017;
de arresten in de zaak 200.212.156/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 augustus 2017 en 28 mei 2019.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 28 mei 2019 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [verweerder] mede door T.M. Subelack.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 2.091,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
16 oktober 2020.