Uitspraak
1.De vordering van de procureur-generaal
2 Het onderzoek in raadkamer
3.Beoordeling van de vordering
4.Beslissing
31 januari 2020.
Hoge Raad
De procureur-generaal heeft bij de Hoge Raad een vordering ingediend tot schorsing van een rechter als rechterlijk ambtenaar voor drie maanden als ordemaatregel op grond van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).
Na een onderzoek in raadkamer, waarbij de procureur-generaal, de betrokkene en diens advocaat aanwezig waren, heeft de Hoge Raad kennisgenomen van het koninklijk besluit dat aan de betrokkene eervol ontslag uit het ambt van senior rechter verleent met ingang van 1 januari 2020. Tevens is gebleken dat tegen dit ontslag geen rechtsmiddel wordt aangewend.
Gezien het onherroepelijke karakter van het ontslag is het belang bij toewijzing van de schorsingsvordering komen te vervallen. De Hoge Raad verklaart daarom de procureur-generaal niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schorsing van de betrokkene als rechterlijk ambtenaar.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de procureur-generaal niet-ontvankelijk in de vordering tot schorsing van de betrokkene wegens onherroepelijk ontslag.