ECLI:NL:HR:2020:166

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2020
Publicatiedatum
30 januari 2020
Zaaknummer
19/04348
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46f WrraArt. 46o WrraArt. 46p Wrra
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vordering schorsing rechter na onherroepelijk ontslag

De procureur-generaal heeft bij de Hoge Raad een vordering ingediend tot schorsing van een rechter als rechterlijk ambtenaar voor drie maanden als ordemaatregel op grond van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra).

Na een onderzoek in raadkamer, waarbij de procureur-generaal, de betrokkene en diens advocaat aanwezig waren, heeft de Hoge Raad kennisgenomen van het koninklijk besluit dat aan de betrokkene eervol ontslag uit het ambt van senior rechter verleent met ingang van 1 januari 2020. Tevens is gebleken dat tegen dit ontslag geen rechtsmiddel wordt aangewend.

Gezien het onherroepelijke karakter van het ontslag is het belang bij toewijzing van de schorsingsvordering komen te vervallen. De Hoge Raad verklaart daarom de procureur-generaal niet-ontvankelijk in zijn vordering tot schorsing van de betrokkene als rechterlijk ambtenaar.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de procureur-generaal niet-ontvankelijk in de vordering tot schorsing van de betrokkene wegens onherroepelijk ontslag.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer19/04348
Datum31 januari 2020
ARREST
op een vordering als bedoeld in art. 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren van de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 24 september 2019, tot schorsing
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene.

1.De vordering van de procureur-generaal

De procureur-generaal heeft op 24 september 2019 schriftelijk gevorderd dat de Hoge Raad de betrokkene op de voet van art. 46f, lid 2, aanhef en onder e, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) bij wijze van ordemaatregel zal schorsen als rechterlijk ambtenaar voor een periode van drie maanden.

2 Het onderzoek in raadkamer

Op 7 oktober 2019 is door de Hoge Raad in raadkamer een onderzoek ingesteld als bedoeld in art. 46p, lid 1, Wrra. Bij dat onderzoek zijn verschenen de procureur-generaal, de betrokkene en mr. K. de Bie, advocaat van de betrokkene. Tevens zijn aanwezig de president en de arbeidsjuridisch adviseur van de rechtbank waar de betrokkene werkzaam is.
De procureur-generaal heeft de vordering in raadkamer toegelicht.
Door en namens de betrokkene is verweer gevoerd tegen de vordering van de procureur‑generaal en is verzocht deze af te wijzen.
De Hoge Raad heeft kennisgenomen van de stukken van het dossier.
Van het onderzoek in raadkamer is proces-verbaal opgemaakt.

3.Beoordeling van de vordering

3.1
Op 11 december 2019 heeft de procureur-generaal de voorzitter van de vierde kamer een afschrift doen toekomen van het koninklijk besluit van 21 november 2019 waarbij aan de betrokkene eervol ontslag uit het ambt van senior rechter is verleend met ingang van 1 januari 2020 en van de mededeling van de advocaat van de betrokkene dat daartegen geen rechtsmiddel zal worden aangewend. Deze bescheiden zijn bij de stukken van het dossier gevoegd.
3.2
Gelet op het onherroepelijk aan de betrokkene verleende ontslag, is het belang bij toewijzing van de vordering als bedoeld in art. 46f, lid 2, aanhef en onder e, Wrra tot schorsing van de betrokkene als rechterlijk ambtenaar voor een periode van drie maanden bij wijze van ordemaatregel komen te ontvallen. De Hoge Raad zal daarom de procureur‑generaal niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de procureur-generaal niet-ontvankelijk in zijn vordering.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, de vice‑president C.A. Streefkerk en de raadsheren V. van den Brink, M.A. Fierstra en M.T. Boerlage, in bijzijn van de griffier J. Storm, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 januari 2020.