ECLI:NL:HR:2020:1672
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest over premieplicht en overschrijding redelijke termijn bij belastingaanslagen
Belanghebbende was in geschil met de Inspecteur over de premieplicht volksverzekeringen voor de jaren 2011 tot en met 2013. De Rechtbank Noord-Holland had aanslagen opgelegd en ambtshalve verminderd, waarna het Hof Amsterdam oordeelde over de geldigheid van die aanslagen en de toepasselijkheid van een verlenging van de redelijke termijn door instemming van belanghebbende.
De Hoge Raad stelde vast dat het oordeel van het Hof dat instemming met overschrijding van de wettelijke beslistermijn een bijzondere omstandigheid vormt die de redelijke termijn verlengt, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het een nieuwe berekening van de Inspecteur, overgelegd tijdens de zitting van de Rechtbank, niet had meegenomen in de aanslagvermindering voor 2013.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof, behalve voor onderdelen over griffierecht en de jaren 2011 en 2012, en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag. De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en moest het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Den Haag.