Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
27 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan het telen van hennep. Het hof had vastgesteld dat verdachte als enige bewoner stond ingeschreven op het adres waar een hennepkwekerij op de bovenverdieping werd aangetroffen. De kwekerij was ongeveer 14 maanden in bedrijf, met zichtbare afvoerpijpen en een sterke hennepgeur.
De politie trof in de woning diverse kweekmaterialen aan, waaronder 175 hennepplanten, verlichting, ventilatoren en irrigatiesystemen. Verdachte verklaarde niets te weten van de kwekerij en ontkende regelmatig boven te komen, maar het hof achtte dit ongeloofwaardig gezien de omstandigheden en haar aanwezigheid op de bovenverdieping in die periode.
Het hof concludeerde dat verdachte opzettelijk gelegenheid had geboden voor de hennepteelt door niet in te grijpen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het oordeel toereikend was gemotiveerd. Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplichtigheid aan hennepteelt door haar woning beschikbaar te stellen.