Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
NJ2020/38, m.nt. Vellinga aan dat ook bekendheid met het telen van hennep door een medeverdachte niet zonder meer voldoende is voor het doen ontstaan van een rechtsplicht voor de verdachte tot het beletten of (doen) beëindigen daarvan. Het hof zou dat hebben miskend door te overwegen dat, nu de verdachte niet heeft ingegrepen, zij opzettelijk gelegenheid heeft geboden dat in haar huis een hennepkwekerij werd geëxploiteerd. Het oordeel van het hof dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door het pand ter beschikking te stellen is derhalve niet toereikend gemotiveerd, althans geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de steller van het middel. Hierop voortbordurend bevat het middel voorts de klacht dat bij de verdachte het voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan hennepteelt vereiste 'dubbele opzet' ontbreekt.
NJ2020/38, m.nt. Vellinga, het arrest waarop de steller van het middel een beroep doet, had het hof vastgesteld dat (i) de verdachte samen met de medeverdachte (haar man) als hoofdbewoner en mede-eigenaar van de gezamenlijke woning de beschikking had over dat pand, (ii) de medeverdachte betrokken was bij een hennepkwekerij die was gevestigd in twee ruimtes in de woning waar hij de daar gekweekte planten verzorgde, (iii) de verdachte van die hennepkwekerij wist en (iv) de verdachte deze situatie in stand had gelaten. Het hof had op basis van deze vaststellingen bewezenverklaard dat de verdachte aan de medeverdachte opzettelijk gelegenheid had verschaft tot het telen van hennep. De Hoge Raad achtte dat oordeel niet toereikend gemotiveerd omdat het hof geen omstandigheden had vastgesteld die erop duidden dat actieve gedragingen van de verdachte gelegenheid verschaften tot de hennepteelt door de medeverdachte in de woning. De Hoge Raad overwoog voorts (rov. 2.3):
kennelijk die ruimtes reeds ter beschikking had(cursivering van mij, AG). Daarbij komt dat ook bekendheid met het telen van hennep door [de medeverdachte], anders dan het hof met de verwijzing naar het in stand laten van de situatie kennelijk voor ogen stond, niet zonder meer voldoende is voor het doen ontstaan van een rechtsplicht voor de verdachte tot het beletten of (doen) beëindigen daarvan”.
als enigeop het adres [a-straat 1] te [plaats] ingeschreven en bewoonde zij deze woning
alleen, en heeft zij als enig bewoner van haar woning de ruimte waarin de hennepkwekerij werd aangetroffen daarvoor ter beschikking gesteld.
NJ2018/50, waar de verdachte ook de (enig) eigenaar was van de woning waarin de hennepkwekerij werd aangetroffen. Die verdachte was door het hof onder meer veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk telen van hennepplanten. Bij de bewezenverklaring had het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat a. de verdachte wist dat de hennepplantage in haar woning aanwezig was, b. zij aan de opbouw en exploitatie van de kwekerij geen einde had gemaakt hoewel dat als enig eigenaar van de woning in haar macht lag, c. zij had toegestaan dat de kwekerij werd gefinancierd uit gemeenschappelijke gelden en d. zij profiteerde of zou profiteren van de opbrengsten van de kwekerij. De Hoge Raad zag daarin echter (nog) geen medeplegen gelegen, maar wel kwam blijkens rechtsoverweging 2.5 medeplichtigheid in beeld: "Deze omstandigheden zijn niet zonder meer voldoende om te kunnen aannemen dat de verdachte het opzettelijk telen van hennepplanten heeft medegepleegd nu zij in de kern niet meer inhouden dan dat de verdachte aan een ander gelegenheid en middelen heeft verschaft voor het telen van hennepplanten in haar woning, hetgeen op het eerste gezicht duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, en dat zij heeft geprofiteerd of zou profiteren van de opbrengst van dat telen." Uit dit arrest blijkt dat het niet-beëindigen van de opbouw en exploitatie van een hennepkwekerij door de eigenaar van een woning, terwijl het beletten wel in zijn macht ligt, het verschaffen van gelegenheid voor het telen van hennepplanten kan opleveren.
NJ2018/50) [17] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.