Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
24 november 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor het rijden terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. De verdachte stelde een bewijsklacht in met betrekking tot zijn wetenschap over de ongeldigverklaring van het rijbewijs.
De Hoge Raad heeft deze klacht beoordeeld en geoordeeld dat deze niet kan leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij heeft de Hoge Raad geen motivering gegeven omdat beantwoording van de klacht niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen. De uitspraak bevestigt dat de wetenschap van de verdachte omtrent de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs voldoende is vastgesteld en dat het hof de juiste juridische maatstaven heeft toegepast.
De uitspraak is gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 24 november 2020, waarbij de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren A.L.J. van Strien en A.E.M. Röttgering de beslissing namen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bekrachtigd.