Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
eerstemiddel houdt in dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
Overweging met betrekking tot het bewijs
NJ2019/454, m.nt. W.H. Vellinga, gegeven toetsingskader. Dat toetsingskader bestaat uit de drie door het hof genoemde en nagelopen stappen. Het cassatiemiddel richt zich in het bijzonder tegen de wijze waarop het gerechtshof is omgegaan met de derde stap. Die stap betreft de vraag of uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het besturen van het motorrijtuig “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. [3] Dat het middel zich met name hierop richt is niet helemaal onbegrijpelijk. Het is juist op dit punt dat zaken in cassatie regelmatig over de kop gaan. Mijn ambtgenoot Harteveld en annotator Vellinga veronderstellen dat dit komt doordat de feitenrechters ervan uit lijken te gaan dat het ‘redelijkerwijs moeten weten’ van art. 9 WVW Pro duidt op culpa, terwijl het in feite wel eens zou kunnen gaan om een bewijsvermoeden. Dat bewijsvermoeden leidt er toe dat ‘degene die redelijkerwijs op de hoogte moet zijn’ van de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs gelijk wordt gesteld aan ‘degene die wist’ van die ongeldigverklaring. [4] Dat is iets anders dan via de band van de culpa (beredeneerd) bewijzen dat de verdachte ernstig onzorgvuldig of grof nalatig is omgegaan met zijn rijbevoegdheid en dat hij ‘had behoren te weten’ dat daar iets mis mee was. Steun voor de opvatting dat het hier gaat om een bewijsvermoeden kan worden ontleend aan de wetsgeschiedenis [5] én aan een passage uit het genoemde arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2019 waarin de Hoge Raad opmerkt dat de bewijsmotivering toereikend is wanneer uit de bewijsvoering volgt dat het besluit tot ongeldigverklaring aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Hoewel ook dan nog altijd de mogelijkheid bestaat dat de verdachte helemaal geen kennis heeft genomen van de inhoud van het stuk, doet dat er voor het bewijs van de in art. 9 WVW Pro 1994 vereiste wetenschap kennelijk niet toe. Dat typeert een bewijsvermoeden. Overigens heeft de Hoge Raad zich tot op heden niet expliciet uitgesproken over de vraag of het hier inderdaad een bewijsvermoeden betreft.
door de verdachteal niet resulteert in de conclusie dat hij wetenschap had van de ongeldigverklaring van het rijbewijs, dan geldt dat te meer als het rijbewijs wordt ingeleverd
door de politie– toch gaat de verwijzing naar dit arrest niet helemaal op. In die zaak had het hof immers enkel bewezenverklaard dat de verdachte ‘wist’ dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard (en dus niet ook de variant dat de verdachte dat ‘redelijkerwijs moest vermoeden’). Daarmee is echter niet gezegd dat de omstandigheid dat in de onderhavige zaak het rijbewijs van de verdachte door het CBR is ontvangen van de politie bijdraagt aan de conclusie dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat het CBR zijn rijbewijs ongeldig heeft verklaard. Dát ben ik met de steller van het middel eens.
NJ2012/321. Daarin ging het om een situatie waarin bezwaar was gemaakt tegen het door het CBR bevolen onderzoek naar de rijvaardigheid. Volgens de Hoge Raad kon uit dat bezwaar niet zonder meer volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs (op een later moment) ongeldig was verklaard. De steller van het middel ziet niet in waarom dat hier anders zou zijn. Ook dat ben ik met hem eens.
3.Het tweede middel
tweedemiddel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359 lid 6 Sv Pro heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.