ECLI:NL:HR:2020:1710

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2020
Publicatiedatum
29 oktober 2020
Zaaknummer
19/02259
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArt. 6:119 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad beslist over wettelijke rente bij onverschuldigde betaling parkeerovereenkomst

In deze zaak staat de uitleg van een parkeerovereenkomst centraal, waarin een beschikbaarheidsvergoeding is opgenomen die Deka aan Q-Park betaalde. Deka vorderde terugbetaling van deze bedragen vermeerderd met wettelijke handelsrente, stellende dat de betalingen onverschuldigd waren.

De rechtbank wees de vordering af, maar het hof kende deze toe met wettelijke handelsrente. De Hoge Raad oordeelt dat de wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) alleen van toepassing is op primaire betalingsverplichtingen uit handelsovereenkomsten en niet op vorderingen uit onverschuldigde betaling.

Daarom vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de wettelijke handelsrente toekent en bepaalt dat Deka aanspraak heeft op wettelijke rente (art. 6:119 BW Pro). De Hoge Raad wijst de zaak zelf afdoende toe en veroordeelt Q-Park tot terugbetaling van de bedragen met wettelijke rente. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep wordt niet behandeld omdat het geen verband houdt met het vernietigde onderdeel.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover wettelijke handelsrente is toegewezen en veroordeelt Q-Park tot betaling van terug te betalen bedragen met wettelijke rente.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/02259
Datum30 oktober 2020
ARREST
In de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te Maastricht,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: Q-Park,
advocaten: R.P.J.L. Tjittes en J.P. Heering, aanvankelijk ook J.W. de Jong,
tegen
DEKA HOT MOERDIJK GMBH & CO. KG,
gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: Deka,
advocaten: J.W.H. van Wijk en aanvankelijk ook M.E.M.G. Peletier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/13/599617/HA ZA 15/1140 van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2016 en 7 juni 2017;
het arrest in de zaak 200.223.340/01 van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, hersteld bij arrest van 5 maart 2019.
Q-Park heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van 5 februari 2019, zoals hersteld bij arrest van 5 maart 2019. Deka heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Q-Park mede door J.L. Luiten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en afdoening als in de conclusie omschreven.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om de uitleg van een zogenoemde ‘parkeerovereenkomst’, waarin onder meer een door Deka aan Q-Park te betalen ‘beschikbaarheidsvergoeding’ is opgenomen voor het geval dat, kort gezegd, minder parkeerabonnementen worden afgenomen dan is overeengekomen. Deka heeft facturen met betrekking tot die beschikbaarheidsvergoeding aan Q-Park voldaan.
2.2
In dit geding heeft Deka (in reconventie), kort gezegd, gevorderd dat Q-Park wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door Deka uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Deka heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij de bedragen onverschuldigd heeft betaald. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.
2.3
Het hof heeft de vordering van Deka tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding aan Q-Park heeft voldaan, toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente. [1]

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1.1
Onderdeel 4 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is, en voert daartoe aan dat art. 6:119a BW slechts van toepassing is op vorderingen uit handelsovereenkomsten.
3.1.2
De klacht is gegrond. Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven, en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling. [2]
3.2
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

4.Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

4.1.1 Hiervoor in 3.1.2 is gebleken dat onderdeel 4 van het principale middel doel treft. Het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep in enig onderdeel gegrond wordt bevonden. In strikte zin is aan die voorwaarde voldaan.
4.1.2 De Hoge Raad ziet echter aanleiding om het incidentele beroep zo uit te leggen dat de voorwaarde waaronder het is ingesteld, niet is vervuld. Het middel in het incidentele beroep heeft uitsluitend betrekking op het door het hof verworpen – primaire – standpunt van Deka dat zij niet gebonden is aan de parkeerovereenkomst. Er bestaat geen verband tussen het in het incidentele beroep aan de orde gestelde geschilpunt en de kwestie van de wettelijke handelsrente waarop de vernietiging in het principale beroep berust. Ook als Deka niet gebonden zou zijn aan de parkeerovereenkomst, betreft haar vordering tot terugbetaling een vordering uit onverschuldigde betaling, zodat wettelijke rente toewijsbaar is en niet wettelijke handelsrente. Het middel in het incidentele beroep behoeft derhalve geen behandeling.

5.Afdoening

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu Deka de wettelijke handelsrente heeft gevorderd, dient te worden aangenomen dat zij tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van art. 6:119 BW Pro voor vergoeding in aanmerking.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
  • vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, hersteld bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019, voor zover daarbij de wettelijke handelsrente is toegewezen;
  • in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt Q-Park tot betaling aan Deka van een bedrag van € 951.305,71 alsmede van de bedragen die Deka sinds de vermeerdering van eis van Q-Park van 11 januari 2017 aan Q-Park heeft voldaan uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de data waarop Deka de desbetreffende bedragen heeft voldaan tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt Deka in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Q-Park begroot op € 6.894,01 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
30 oktober 2020.

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:282, hersteld bij arrest van 5 maart 2019:ECLI:NL:GHAMS:2019:762.
2.Vgl. HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106, rov. 5.2.2.