Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
verplichthet door Q-Park bedoelde dubbelgebruik dient te zijn toegelaten, en (2) aannemelijk zou zijn dat dit tot een andere uitkomst van de zaak zou leiden, zou ik zeker een uitleg van de klacht van het onderdeel hebben willen beproeven die dat aan de orde stelt. Maar het eerste noch het tweede doet zich mijns inziens voor:
verplichtis. [10]
Last but not least:als dubbel gebruik van parkeerplaatsen toch wél door de gemeente zou zijn voorgeschreven (in afwijking van de lezing onder a vermeld), is allerminst vanzelfsprekend dat dit tot een andere uitkomst van de zaak zou leiden. Ook volgens de eigen stellingen van Q-Park was het de gemeente te doen om de beschikbaarheid van voldoende openbare parkeerplaatsen. Dat is een publiek belang, te onderscheiden van het private belang van Q-Park als exploitant van de parkeergarage bij een gunstig verdienmodel. De vraag die partijen in dit geding verdeeld houdt, is of in de gegeven omstandigheden Deka de beschikbaarheidsvergoeding verschuldigd is (mede in verband met de systematiek van artikel 13.3 van de Parkeerovereenkomst) en niet of parkeerplaatsen door Q-Park voor openbaar gebruik mogen worden aangeboden.
abonnementenvolledig bij de belegger hebben willen leggen.
objectiefkarakter draagt, kan acht worden geslagen ‘op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden’. [13]
volledig gebruik.
onaanvaardbaaris dat Q-Park ter zake van de gemiddeld 40 niet benutte parkeerplaatsen op de beschikbaarheidsvergoeding aanspraak maakt. Het oordeel van het hof is ook voldoende begrijpelijk. In dit verband verdient opmerking dat het oordeel van het hof over wat redelijkheid en billijkheid meebrengen rechtstreeks in het verlengde ligt van zijn in rechtsoverweging 3.10 gegeven uitlegoordeel. Het hof heeft dus niet een door de partijen in de regeling van de Parkeerovereenkomst voorzien rechtsgevolg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geoordeeld – nee, het hof heeft een in die regeling
niet voorzienrechtsgevolg onaanvaardbaar geoordeeld. Anders gezegd, volgens het hof heeft Q-Park gehandeld op een wijze die in het licht van de Parkeerovereenkomst
oneigenlijkis en is daarom onaanvaardbaar dat zij op de beschikbaarheidsvergoeding aanspraak maakt.
rechtstreeksmeebrengt dat in dit geval geen aanspraak op de beschikbaarheidsvergoeding bestaat. Niet minder dan een zodanige uitleg lag mijns inziens voor de hand een oordeel volgens welke de Parkeerovereenkomst een leemte vertoont wat betreft het geval dat de exploitant van de parkeergarage het in artikel 13.3 voorziene aanbod niet aanvaardt maar de parkeerplaatsen tóch benut, en dat deze leemte met toepassing van de
aanvullende werkingvan redelijkheid en billijkheid wordt aangevuld. [14] De door het hof toegepaste constructie is echter niet onmogelijk en evenmin onbegrijpelijk.
Vodafone/ECTwas in dat verband zwaarwegend dat de wederpartij door het oneigenlijk handelen onaanvaardbaar werd benadeeld. [18] Naargelang de omstandigheden kan, zoals hier, die onaanvaardbaarheid ook verband houden met een door het oneigenlijke handelen behaald voordeel. De mate waarin het handelen ‘wringt’ ten opzichte van de inhoud en strekking van wat door partijen is overeengekomen, weegt uiteraard evenzeer mee. De zaak
Vodafone/ECTbetrof in de overeenkomst niet voorzien gebruik. Q-Park maakt een gebruik van de parkeerplaatsen dat in de Parkeerovereenkomst
voor een ander gevalis voorzien, namelijk het geval dat zij het aanbod van Deka zou hebben aanvaard. Dat geeft aan het handelen van Q-Park een bijzondere kleur. Kortom, als de bedoelde stelregel al opgaat, is het oordeel van het hof mijns inziens nog steeds niet onjuist of onbegrijpelijk.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
onvoorwaardelijkcassatiemiddel hebben geformuleerd. Om dezelfde reden is ook in de omstandigheid dat de beslissing van het hof met betrekking tot de gebondenheid van Deka aan de Parkeerovereenkomst tussen partijen gezag van gewijsde zal verkrijgen, geen aanleiding gelegen voor een andere uitleg van de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld.