In deze zaak hebben eiseressen cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin een geschil over een effectenleaseovereenkomst werd behandeld. De kern van het geschil betrof onder meer de toepassing van de waiverprocedure, de bepaling van het eigen schuldpercentage en de stelplicht en bewijslast bij negatieve verklaringen voor recht.
De Hoge Raad verwijst voor het procesverloop naar eerdere uitspraken van de kantonrechter Utrecht en het hof Arnhem-Leeuwarden. Na beoordeling van de klachten over het hofarrest concludeert de Hoge Raad dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet inhoudelijk, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiseressen in de kosten van het cassatiegeding, begroot op een bedrag van €3.082,34, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan. Het arrest is gewezen door de vicepresidenten en raadsheren van de Civiele Kamer en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Kroeze.