Conclusie
1.Inleiding en feiten
onderdeel 1), het hanteren van onjuiste afrekenkoersen door Dexia (
onderdeel 2), en voorts de betekenis van het handelen (namens Dexia) van Vero (
onderdeel 3) en de betekenis van het benaderen van de afnemer door middel
cold calling(
onderdeel4) voor een eventuele van het hofmodel afwijkende schadeverdeling tussen Dexia en [eiseressen]
onderdelen 3 en 4kunnen mijns inziens worden beoordeeld op basis van de bestaande rechtspraak van de Hoge Raad over schadeverdeling in effectenleasezaken. De
onderdelen 1 en 2betreffen kwesties waarover de Hoge Raad in eerdere waiver-procedures heeft geoordeeld.
2.Procesverloop
cold calling, beleggingstechnische gebreken, het niet aankopen van aandelen overeenkomstig de overeenkomst en buitengerechtelijke kosten – zijn alle ongegrond (rov. 5.8-5.32). De gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar (rov. 6.1).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
B./Dexia) bedoelde ‘advies’-gevallen dient Dexia de schade bestaande uit de restschuld en de reeds betaalde rente, aflossing en kosten, volledig te vergoeden. Aan deze schadeverdeling ligt een combinatie van vier factoren ten grondslag: (i) de particuliere belegger is als potentiële cliënt bij de aanbieder aangebracht door een cliëntenremisier die in strijd met de Wte 1995 (ii) tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht (iii) zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken zodat de aanbieder op grond van art. 41 NR Pro 1999 [10] had moeten weigeren met de belegger te contracteren, terwijl (iv) de aanbieder van dit adviseren op de hoogte was of behoorde te zijn.
B./Dexia) bouwt voor effectenleasezaken voort op HR 6 september 2013 (
Van U. c.s./NBG Finance), een zaak die ging over een ingewikkelde hypotheekconstructie. Aan de schadeverdeling volgens HR 2 september 2016 (
B./Dexia) ligt het volgende ten grondslag, zoals (ook) blijkt uit HR 12 oktober 2018 (
T./Dexia).
B./Dexiabetreft de omstandigheid dat art. 41 NR Pro 1999 Dexia verbood om een leaseovereenkomst met een afnemer aan te gaan indien zij wist of behoorde te weten dat de daarbij optredende tussenpersoon, zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, tevens als financieel adviseur is opgetreden. In zo’n geval staat voorop dat Dexia contracteerde in weerwil van een wettelijk verbod dat juist ertoe strekt om de afnemer te beschermen tegen het aangaan van een beleggingsovereenkomst na advies door een adviseur zonder de benodigde vergunning. Het contracteren in weerwil van dit verbod moet Dexia bij de toepassing van art. 6:101 BW Pro zwaar worden aangerekend.
T./Dexia) er onder meer toe strekken om het argument te verwerpen dat de betrokkenheid van tussenpersonen sterk verschilde, omdat sommige tussenpersonen niet adviseerden
,er zowel goede als slechte adviezen werden gegeven en soms verschillende tussenpersonen afnemers hebben gewezen op het feit dat werd belegd met geleend geld en afnemers hebben gewaarschuwd voor het restschuldrisico (rov. 3.5.2 onder (iv) onder (a)). Bij effectenleaseovereenkomsten die tot stand zijn gekomen op een wijze als hier aan de orde, is de inhoud van het advies niet meer van belang, evenmin als een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product, aldus HR 12 oktober 2018 (
T./Dexia), rov. 3.6.4.
T./Dexia) strekken er verder toe om het argument te verwerpen dat zich vrijwel nooit het geval voordoet dat de afnemer zich eigener beweging tot een tussenpersoon heeft gewend voor een op zijn specifieke situatie toegesneden (beleggings)advies, en dat in de regel de tussenpersonen de particuliere beleggers zelf benaderden, zoals ook Dexia deed (rov. 3.5.2 onder (iv) onder (b)). Het oordeel in HR 12 oktober 2018 (
T./Dexia), rov. 3.6.1-3.6.7, is dan ook zo geformuleerd dat daarin wordt geabstraheerd van de vraag of de afnemer de tussenpersoon heeft benaderd dan wel de tussenpersoon de afnemer heeft benaderd.
V./Dexia). Hierin verwerpt de Hoge Raad het betoog dat van het hofmodel moet worden afgeweken indien Dexia niet alleen haar zorgplichten als aanbieder heeft geschonden, maar ook een extra zorgplicht door de afnemer onjuist te adviseren (rov. 4.3.2). De Hoge Raad overwoog:
cold calling(…) –, waarna adviseurs van Dexia hem hebben geadviseerd om effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. Naar het hof met juistheid heeft geoordeeld, verschilt deze situatie niet wezenlijk van die welke aan de orde was in HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 ( […] /Dexia). Het hof heeft derhalve terecht het door [eiser] gestelde advies onvoldoende geoordeeld om te komen tot een andere schadeverdeling dan bedoeld in dat arrest.”
B./Dexia) bedoelde adviessituatie.
B./Dexia) bedoelde adviessituatie verschilt wezenlijk de situatie dat de afnemer jegens de aanbieder van de effectenleaseovereenkomst belangstelling heeft getoond voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst. [21]
cold calling. [22] Voor de schadeverdeling is dus als zodanig niet bepalend of het contact tussen de afnemer en Dexia is gelegd door de afnemer, door Dexia of door een tussenpersoon (zie ook in 3.7). [23]
B./Dexia). [24]
B./Dexia); in deze zin is deze wijze van aanbieding van het product relevant voor de schadeverdeling.
B./Dexia) de vergoedingsplicht van Dexia tegenover hen geheel in stand is gebleven (zie rov. 5.10 en 5.17). [29] [eiseressen] hadden hiertoe twee stellingen aangedragen: (i) Vero was niet bij AFM bekend als een cliëntenremisier en mocht dus in het geheel niet betrokken zijn bij de totstandkoming van effectentransacties (rov. 5.13-5.14), en (ii) Vero) moet met een cliëntenremisier worden gelijkgesteld omdat zij zich jegens [eiseressen] heeft gepresenteerd en gedragen als een adviseur (rov. 5.15).
B./Dexia) bedoelde geval:
subonderdeel 3.1, samengevat, is rov. 5.14 geen voldoende weerlegging van het verweer van [eiseressen] dat vanwege de betrokkenheid van Vero moet worden beslist overeenkomstig HR 2 september 2016 (
B./Dexia), althans dat moet worden afgeweken van het hofmodel voor de schadeverdeling. Het hof had moeten beslissen dat Vero optrad als cliëntenremisier en, omdat Vero niet over de vereiste vergunning of vrijstelling beschikte, tot voormelde schadeverdeling moeten komen.
subonderdeel 3.2, samengevat, miskent het hof in rov. 5.15 dat het feit dat Vero zich heeft gepresenteerd als de aanbieder er niet aan afdoet dat Vero effectenbemiddelaar/cliëntenremisier was, dat Vero (zoals [eiseressen] hebben gesteld en het hof in het midden heeft gelaten) zonder vergunning heeft geadviseerd, en dat Dexia het contracteerverbod van art. 25 NR Pro 1995 (dat gelijkluidend is aan dat van art. 41 NR Pro 1999) [31] heeft overtreden. Het hof heeft niet vastgesteld dat [eiseressen] wisten of hadden kunnen of moeten weten dat zij met Dexia contracteerden door middel van een tussenpersoon en het is ontoelaatbaar dat Dexia van die onwetendheid zou profiteren.
subonderdeel 3.3, samengevat, doet de overweging dat [eiseressen] moesten begrijpen dat zij geen onafhankelijk en deskundig advies kregen, er niet aan af dat [eiseressen] recht hebben op volledige schadevergoeding althans op meer dan volgens het hofmodel. Vero heeft gehandeld als cliëntenremisier zonder vergunning en is door haar op het effectenleaseproduct van Dexia gerichte advisering op ongeoorloofde wijze betrokken bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst.
B./Dexia), althans op een van het hofmodel afwijkende schadeverdeling. In hun schriftelijke toelichting (onder 23-24) betogen [eiseressen] dat hun situatie in essentie niet vergelijkbaar is met HR 6 september 2013 (
Van U./NBG Finance), maar ook niet met de arresten van 5 juni 2009 en het daarop gebaseerde hofmodel. Daartoe wordt, kort gezegd, gewezen op de aard van de verhouding tussen Dexia en Vero en het mondelinge contact met [eiseressen] In de schriftelijke toelichting wordt dus, als ik het goed zie, wat meer de nadruk gelegd op mogelijke afwijking van het hofmodel voor de schadeverdeling. Een afwijking van het hofmodel, anders dan in de zin van HR 2 september 2016 (
B./Dexia), is in feitelijke instanties niet door [eiseressen] aangevoerd (zie de in cassatie onbestreden rov. 5.10 van het hof). Dit punt kan verder blijven rusten, omdat er in een geval als het onderhavige naar mijn mening onvoldoende reden is om af te wijken van het hofmodel. Ik licht dat toe.
B./Dexia) reden is om af te wijken van het hofmodel indien sprake is van een (op de specifieke situatie van de particuliere belegger toegesneden) advies van een onafhankelijke beleggingsadviseur (en de overige in dat arrest bedoelde omstandigheden zich voordoen). Hiervan verschilt wezenlijk de situatie dat de belegger jegens de aanbieder van de effectenleaseovereenkomst belangstelling heeft getoond voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst, ook indien een adviseur van Dexia de belegger heeft geadviseerd om effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. In dit geval staat vast, aldus de in zoverre niet bestreden rov. 5.15, dat [eiseressen] in de totstandkomingsfase van de overeenkomst er telkens van uit moeten zijn gegaan contact te hebben gehad met Dexia. Hieruit volgt dat zich geen situatie voordoet die een afwijking van het hofmodel op de voet van HR 2 september 2016 (
B./Dexia) rechtvaardigt.
onderdeel 3.1dat Vero in toezichtrechtelijke zin dient te worden gekwalificeerd als een tussenpersoon (effectenbemiddelaar/cliëntenremisier). Voor de toepassing van de schadeverdelingsregels van het hofmodel of van HR 2 september 2016 (
B./Dexia), maakt het immers verschil of de particuliere belegger meende van doen te hebben met Dexia dan wel met een onafhankelijke beleggingsadviseur die hem advies zou geven.
B./Dexia) is de schending door Dexia van een toezichtrechtelijk contracteerverbod relevant, omdat dit verbod ertoe strekt om de afnemer te beschermen tegen het aangaan van een beleggingsovereenkomst na advies door een adviseur zonder de benodigde vergunning. In HR 2 september 2016 (
B./Dexia) ging het dus om een regel van toezichtrecht die verband hield met de voor de schadeverdeling in effectenleasezaken relevante vraag of de afnemer bedacht diende te zijn op, en zich eigener beweging diende te verdiepen in, niet vermelde risico’s. Het gaat om de risico’s die ermee samenhangen dat werd belegd met geleend geld, dat de leaseovereenkomst voorzag in een geldlening, dat over die lening rente moet worden betaald en dat het geleende bedrag moest worden terugbetaald.
subonderdeel 3.2nog aanvoert, behoefde het hof in het licht van HR 2 september 2016 (
B./Dexia) niet vast te stellen dat [eiseressen] wisten of hadden kunnen of moeten weten dat zij met Dexia contracteerden door middel van een tussenpersoon. Het argument dat ontoelaatbaar is dat Dexia van die onwetendheid zou profiteren, zoals uitgewerkt in de schriftelijke toelichting namens [eiseressen], gaat naar mijn mening voorbij aan de redenen voor toepassing van de schadeverdeling volgens het hofmodel dan wel HR 2 september 2016 (
B./Dexia).
B./Dexia) bedoelde ‘advies’-geval de inhoud van het advies niet meer van belang, evenmin als een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product.
onderdelen 3.1 tot en met 3.3naar mijn mening af.
cold callingniet is gebleken, omdat uit de stellingen van [eiseressen] vrijwel niets blijkt over de inhoud van het telefonische contact met de medewerker van Vero, de informatievoorziening van Vero en de totstandkoming van de overeenkomsten, en dat het feit dat naar aanleiding van het telefoongesprek een huisbezoek heeft plaatsgevonden niet voldoende is, en (ii) dat overtreding van het verbod op
cold callingniet onmiddellijk tot gevolg heeft dat [eiseressen] een beroep toekomt op vermindering van eigen schuld.
V./Dexia). Een afnemer heeft jegens de aanbieder van de effectenleaseovereenkomst belangstelling getoond voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst – in dit geval na te zijn benaderd door Vero namens Dexia en in de perceptie van [eiseressen] door Dexia, door middel van zogeheten
cold calling– waarna (zo hebben [eiseressen] gesteld) [32] adviseurs van (Vero namens) Dexia hen hebben geadviseerd om effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. Naar het hof met juistheid heeft geoordeeld, verschilt deze situatie niet wezenlijk van die welke aan de orde was in HR 5 juni 2009 (
De T. /Dexia). Er doet zich dus geen situatie voor die een afwijking van het hofmodel op de voet van HR 2 september 2016 (
B./Dexia) rechtvaardigt.
subonderdeel 1.1zijn deze overwegingen onjuist althans onbegrijpelijk, omdat zij miskennen dat op Dexia de stelplicht en bewijslast rusten ter zake van de stelling dat zij alles wat zij aan haar wederpartij verschuldigd is, heeft voldaan. Het hof verlangt dat [eiseressen] zoveel stellen dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van Dexia kan worden
afgeleid, maar [eiseressen] hoeven de stellingen van Dexia slechts te
ontzenuwen. Zij zijn niet gehouden om ten verwere de
omvangvan hun gestelde vorderingen te substantiëren.
V./Dexia) en door onderdeel 1 van het cassatiemiddel in HR 24 april 2020 (
K./Dexia). De klachten komen overeen met de in die zaken behandelde klachten. [35] HR 12 april 2019, (
V./Dexia) heeft deze klachten verworpen:
K./Dexia) heeft de Hoge Raad onderdeel 1 van het middel verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro (rov. 3.7). Er is mijns inziens geen reden om aan te nemen dat thans anders moet worden geoordeeld. Het subonderdeel faalt daarom.
procesinleiding nr. 7). Dexia wil in rechte vastgesteld zien dat haar wederpartij niets meer van haar te vorderen heeft uit hoofde van de tussen hen gesloten effectenleaseovereenkomsten (rov. 5.2). Zij kan dit onderbouwen door te stellen waarom zij naar mening heeft voldaan aan haar verplichtingen jegens haar wederpartij die volgen uit de effectenleaseovereenkomst(en) en, kort gezegd, de vaste rechtspraak over haar gehoudenheid tot schadevergoeding ter zake van dergelijke overeenkomsten. [eiseressen] dienen hiertegenover voldoende gemotiveerd te stellen waarom zij wel nog een vordering op Dexia menen te hebben.
procesinleiding nrs. 7-8te verwijzen naar de oordelen van het hof over de onjuiste afrekenkoersen (rov. 5.9) en de buitengerechtelijke kosten (rov. 5.32) [36] − heeft het hof niet van [eiseressen] verlangd dat zij de
omvangvan hun vorderingen substantiëren. Het hof heeft van [eiseressen] gevergd dat zij de stellingen van Dexia gemotiveerd betwisten, zodanig dat daaruit de onjuistheid van de stellingen van Dexia kan worden afgeleid. Het oordeel van het hof komt erop neer dat de stellingen van [eiseressen] in dit opzicht onvoldoende concreet waren. In zoverre mist het subonderdeel dus feitelijke grondslag. Zie hierover ook de bespreking van onderdeel 2.1.
procesinleiding nr. 9) dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden is door te beoordelen of is komen
vast te staandat [eiseressen] nog en vordering op Dexia hebben, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag.
bewijs te leveren van zijn stellingen door alle middelen rechtens en meer speciaal door het doen horen van zichzelf als getuige. Ook biedt gedaagde, voor zover noodzakelijk, tegenwijs aan van alle stellingen van Dexia met alle middelen rechtens.” In de pleitaantekeningen in eerste aanleg nr. 76 is vermeld: “
Voor de goede orde bied ik nogmaals uitdrukkelijk bewijs aan van mijn stellingen omtrent de onjuiste afrekenkoersen.” De memorie van antwoord nr. 81. Vermeldt: “
(…) biedt [eiseressen] uitdrukkelijk bewijs aan van haar stellingen met alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen (waaronder, maar niet beperkt tot [eiseressen]).”
procesinleiding nr. 10), heeft het hof niet van [eiseressen] verlangd hun stellingen door middel van bewijsstukken aannemelijk te maken en heeft het hof het door hem gehanteerde uitgangspunt ter zake van de stelplicht en bewijslast van Dexia niet uit het oog verloren.
subonderdeel 2.1is deze overweging onjuist althans onbegrijpelijk omdat het hof relevant heeft gevonden dat (het “niet in de rede ligt dat”) het bij deze vordering “zou kunnen gaan om substantiële bedragen.” Volgens de op het subonderdeel gegeven toelichting kan een schadevergoedingsvordering ook toewijsbaar zijn als de omvang van de schade nog niet bekend is (
procesinleiding nr. 11), konden [eiseressen] niet specifieker zijn omdat zij niet beschikken over de voor de berekening van hun schade en de omvang van de vordering noodzakelijke gegevens die Dexia niet in het geding heeft gebracht (
procesinleiding nr. 12), en kan de strooischade van alle benadeelden samen een zodanig bedrag vertegenwoordigen dat het zinvol is schadevergoeding te vorderen (
procesinleiding nr. 13).
V./Dexia). De klachten komen overeen met de in die zaak behandelde klachten. [37] De Hoge Raad heeft deze klachten verworpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. Er is geen reden om aan te nemen dat thans anders moet worden geoordeeld. Het oordeel van het hof dat [eiseressen] niet toelichten welke vordering voor hen uit deze kwestie zou voortvloeien en dat zij deze onvoldoende hebben gesubstantieerd, is niet onjuist of onbegrijpelijk te noemen (zie hiervoor in 3.26.1). Het middel voert verder niet aan dat het aspect van strooischade in feitelijke instanties is aangevoerd, zodat het hof niet kan worden verweten daarop niet te zijn ingegaan. Het subonderdeel faalt derhalve.