Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
3 november 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd opgelegd aan betrokkene, een belastingadviseur die zich schuldig maakte aan opzettelijk onjuiste belastingaangiften en valsheid in geschrift.
Het hof had geoordeeld dat artikel 74 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), dat toepassing van artikel 36e Sr uitsluit bij fiscale delicten, niet aan ontneming in de weg staat omdat betrokkene ook valsheid in geschrift pleegde. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd berekend op basis van de bedragen die klanten betaalden voor het opmaken van valse aangiften, niet op het belastingnadeel.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de wetsgeschiedenis van artikel 74 AWR Pro duidelijk maakt dat het instrumentarium van de belastingwet bedoeld is om belastingnadeel te verhalen, en dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet is uitgesloten bij niet-belastingplichtigen die valsheid in geschrift plegen.
Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het hof geen onjuiste uitleg gaf aan artikel 74 AWR Pro en het oordeel niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad ziet geen aanleiding tot vernietiging van het arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt ontneming van €81.690,36 wegens valsheid in geschrift en fiscale delicten.