Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
de eendaadse samenloop van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, en (2) “
het feit begaan, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel c van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”. Het daartegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad met toepassing van artikel 80a RO niet‑ontvankelijk verklaard. [1]
eerste middelklaagt dat het OM ten onrechte ontvankelijk is verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, op de grond dat artikel 74 Awr Pro aan toepassing van artikel 36e Sr in de weg staat.
De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van het bepaalde in artikel 74 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De betreffende valsheid in geschrift is gepleegd in eendaadse samenloop met een misdrijf dat bij de Algemene wet inzake rijksbelastingen strafbaar is gesteld.
Ter zake van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten vindt artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing.”
Het is heel wel denkbaar dat het strafbaar gedrag van de veroordeelde bestaat uit het toebrengen van nadeel aan de staat. Zijn wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat dan uit het nadeel dat de staat heeft geleden. Hier valt in het bijzonder te denken aan oplichting van de overheid. Sommige wettelijke regelingen, in het bijzonder de fiscale wetgeving, voorzien in een eigen instrumentarium voor de overheid om jegens haar uit de wet voortvloeiende schulden in te vorderen, ook in de gevallen waarin de schuldenaar heeft nagelaten aan zijn aangifteverplichtingen te voldoen of daarbij zich aan misleiding of valsheid heeft schuldig gemaakt. Waar zulks het geval is, is er voor de overheid geen reden om bovendien met behulp van het strafrecht tot de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te komen. Naar het oordeel van de ondergetekende gebiedt de zuiverheid, dat in dergelijke gevallen de toepasselijkheid van de strafrechtelijke maatregel wordt uitgesloten. Dit is in het onderhavige wetsvoorstel voor wat betreft de Algemene wet inzake Rijksbelastingen en de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen gebeurd. Zulks laat onverlet dat op nalatigheden of misdragingen in de fiscale en douanesfeer wordt gereageerd met administratieve verhogingen of strafrechtelijke boeten.
2.3. In zijn arrest van 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2774, NJ 2009/94, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er geen beletsel is om vermogensbestanddelen waarover men de beschikking had doordat belasting is ontdoken, aan te merken als voorwerpen "afkomstig (...) van enig misdrijf" in de zin van de art. 420bis en 420quater Sr. Daaruit mag niet worden afgeleid dat voor de belastingdienst verzwegen vermogensbestanddelen steeds in volle omvang moeten worden beschouwd als de opbrengst van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit, als bedoeld in art. 36e Sr in samenhang met art. 74 AWR Pro. Daarbij komt dat er geen grond is om elk voordeel dat door middel van een aan de belastingheffing onttrokken vermogensbestanddeel is behaald, aan te merken als de opbrengst van een bij de belastingwet strafbaar gesteld feit in de zin van de zojuist genoemde wettelijke bepalingen.
het tegen betaling opmakenvan die geschriften. De valsheid in geschrift betreft daarmee geen (zuiver) fiscaal delict op basis waarvan artikel 74 Awr Pro de toepassing van artikel 36e Sr zou uitsluiten. Het betreft een commuun strafbaar feit waarvan de opbrengst (de betalingen) niet correspondeert met nadeel dat de fiscus heeft geleden en in verband waarmee de fiscus geen specifieke instrumenten heeft om het (gehele) bedrag aan voordeel als zodanig aan de betrokkene te ontnemen. [8] Het optreden van tweesporigheid laat zich in zo’n geval, zo begrijp ik het hof, lastig voorstellen. Dat het belastingnadeel reeds is ingevorderd bij de cliënten van de betrokkene, maakt het voorgaande uiteraard niet anders. De ontnemingsmaatregel strekt immers niet tot het invorderen van de materiële belastingschuld van de cliënten van de verdachte.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het verweer dat de vordering verlaagd zou moeten met de door de betrokkene gemaakte kosten.
De raadsman heeft ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat de ontnemingsvordering dermate hoog is, dat rekening gehouden dient te worden met de gemaakte kosten. In het kader van het ‘consistentiebeginsel’ dienen alle kosten die de fiscus toekent als aftrekposten van het inkomen te worden afgetrokken van het bruto-voordeel. De veroordeelde bezocht zijn cliënten thuis en de reis- en parkeerkosten terzake staan derhalve in direct verband met het strafbare feit. Ter zake van de aftrekbare kosten bestaat een parallel met de abstracte methode van schadeberekening bij onrechtmatige daad. Het gaat hier om een dergelijk groot aantal aangiften dat niet gekeken kan worden naar concrete kosten per aangifte, maar dat de kosten op percentuele wijze afgetrokken dienen te worden.
van het Wetboek van Strafvordering waarmee in de executiefase om vermindering van de ontnemingsvordering verzocht kan worden.”