Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
3 november 2020.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om een beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 juni 2019 betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene had het cassatieberoep ingesteld, maar heeft geen cassatiemiddelen ingediend.
De advocaat-generaal concludeerde dat de betrokkene niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat niet was voldaan aan de wettelijke verplichting om binnen de gestelde termijn schriftelijk klachten bij de Hoge Raad in te dienen. Dit volgt uit artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad heeft daarop het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het arrest uitgesproken op 3 november 2020. De uitspraak werd gedaan door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.