Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
3 november 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake bedreiging, strafbaar gesteld in artikel 285 Sr Pro. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. In cassatie werden twee middelen aangevoerd: het bewijsminimum en de overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel betreffende het bewijsminimum niet tot vernietiging kon leiden en hoefde dit niet nader te motiveren. Het middel over de overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, werd gegrond verklaard omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verminderde de gevangenisstraf tot vier maanden en drie weken, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 3 november 2020.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot vier maanden en drie weken, waarvan twee maanden voorwaardelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn.