Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
10 november 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van de Russische Federatie gericht op een Amerikaanse verdachte die wordt verdacht van illegale uitvoer van 3.453 marterstaarten. De rechtbank Noord-Holland had de uitlevering toelaatbaar verklaard, stellende dat het feit naar Nederlands recht strafbaar was als opzettelijke overtreding van een voorschrift uit de Wet natuurbescherming, met een mogelijke vrijheidsstraf van ten minste één jaar.
De Hoge Raad stelde echter vast dat de rechtbank onvoldoende had vastgesteld van welke martersoort de staarten afkomstig waren, terwijl dit essentieel is voor de strafbaarheid onder de Wet natuurbescherming en de CITES-basisverordening. De stukken van de Russische autoriteiten vermeldden alleen 'marterstaarten' zonder nadere specificatie.
Gezien het ontbreken van een concrete soortspecificatie en het feit dat overtreding van artikel 10.2 van de Algemene douanewet slechts met een geldboete wordt bestraft, concludeerde de Hoge Raad dat niet voldaan is aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. Daarom vernietigde de Hoge Raad het vonnis van de rechtbank, verklaarde de uitlevering ontoelaatbaar en gelastte de beëindiging van de vrijheidsbeneming van de verdachte.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de uitlevering ontoelaatbaar en gelast de beëindiging van de vrijheidsbeneming van de verdachte.