ECLI:NL:HR:2020:176

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
31 januari 2020
Zaaknummer
18/04644
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 282 lid 1 SrArt. 6 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen in zaak medeplegen doodslag en wederrechtelijke vrijheidsberoving

In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van doodslag en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het hof had verdachte veroordeeld wegens het langdurig omklemmen van de nek van een garagehouder tijdens een proefrit in 1997, wat leidde tot diens dood.

Het cassatieberoep richtte zich op drie klachten: het verzuim van het hof om te reageren op herhaalde getuigenverzoeken, de vraag of sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, en de verwerping van een verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou zijn wegens schending van artikel 6 EVRM Pro.

De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad gaf geen inhoudelijke motivering omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen doodslag en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/04644
Datum4 februari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 oktober 2018, nummer 23/000452-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 februari 2020.