Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
24 november 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de betrokkene beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ondanks het instellen van het beroep heeft de betrokkene geen cassatiemiddelen ingediend, wat een vereiste is voor de behandeling van het beroep door de Hoge Raad.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege het ontbreken van deze middelen. De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid van het beroep en stelt vast dat de betrokkene niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichting om binnen de gestelde termijn schriftelijk klachten in te dienen.
Op grond van artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering kan de Hoge Raad het beroep daardoor niet in behandeling nemen. De Hoge Raad verklaart het beroep dan ook niet-ontvankelijk en spreekt dit arrest uit op 24 november 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ingediende cassatiemiddelen.