Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
4 februari 2020.
Hoge Raad
De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter zijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie namens de betrokkene ingediend binnen de wettelijke termijn.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene. De Hoge Raad toetst de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd.
Daarom verklaart de Hoge Raad de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep. Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, en uitgesproken op 4 februari 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart betrokkene niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig indienen van schriftuur houdende middelen van cassatie.