Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
1 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een strafzaak over diefstal met braak. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. In cassatie is het beroep van de verdachte verworpen, maar de Hoge Raad oordeelt dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze tot zeven maanden en twee weken. De overige klachten van de verdachte worden verworpen. De Hoge Raad motiveert niet uitvoerig omdat de klachten geen belang hebben voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De conclusie van de advocaat-generaal was eveneens tot verwerping van het beroep. De uitspraak is gedaan door de strafkamer van de Hoge Raad op 1 december 2020, waarbij de vice-president als voorzitter en vier raadsheren het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van acht maanden naar zeven maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.