Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een klaagschrift op grond van artikel 98 Sv Pro in verbinding met artikel 552a Sv. De klager, een verpleegkundig centralist in opleiding bij de ambulancedienst, beriep zich op het verschoningsrecht met betrekking tot een bandopname van een 112-melding door een minderjarige verdachte in een verdenking van moord/doodslag op een 15-jarig meisje.
De rechtbank oordeelde dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden waren die de doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigden. De vraag was of het ontbreken van toestemming van het slachtoffer aan de verstrekking van de bandopname in de weg stond, terwijl de ouders van het slachtoffer toestemming hadden gegeven voor kennisneming.
De Hoge Raad heeft het beroep van de klager beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering te geven omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep is derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank blijft in stand.