ECLI:NL:RBLIM:2021:316
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen doorbreking verschoningsrecht centralist 112-melding bij verdenking moord
De zaak betreft een hoger beroep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking van de rechter-commissaris die het verschoningsrecht van een verpleegkundig centralist van de 112-centrale heeft bevestigd. De centralist weigerde de bandopname van een 112-melding te verstrekken in een strafzaak tegen verdachte, die wordt verdacht van moord of doodslag op zijn moeder.
De officier van justitie stelde dat het belang van waarheidsvinding zwaarder woog dan het verschoningsrecht, mede omdat achtergrondgeluiden op de bandopname mogelijk cruciale informatie bevatten. De centralist en haar raadsman voerden aan dat het verschoningsrecht essentieel is voor de vertrouwelijkheid van meldkamercommunicatie en dat ook achtergrondgeluiden hieronder vallen.
De rechtbank overwoog dat de gehele bandopname onder het verschoningsrecht valt en dat zware motiveringseisen gelden voor doorbreking. Gezien de ernst van het strafbare feit, de bekennende verklaring van verdachte en de verklaringen van getuigen, achtte de rechtbank geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig die het belang van waarheidsvinding boven het verschoningsrecht doen prevaleren.
Daarbij werd meegewogen dat toestemming van verdachte en melder het verschoningsrecht niet opheft. De rechtbank concludeerde dat het belang van het verschoningsrecht in deze zaak zwaarder weegt en verklaarde het beroep van het Openbaar Ministerie ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van het Openbaar Ministerie tegen het verschoningsrecht van de 112-centralist wordt ongegrond verklaard.