Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
8 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 29 mei 2019. De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennep op twee locaties (Wolvega en Hardegarijp), diefstal van elektriciteit door verbreking van de aansluiting, en vuurwapenbezit.
In cassatie werden meerdere klachten ingebracht: een bewijsklacht over het opzettelijk telen van hennep en de hoeveelheid elektriciteit die in Wolvega werd weggenomen, een motiveringsklacht over de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring, en een bewijsklacht over de redengevendheid van bewijs met betrekking tot de hennepkwekerij en diefstal in Hardegarijp.
De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat motivering van dit oordeel niet nodig is omdat het niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Hierop werd het beroep verworpen. Het arrest werd gewezen door vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens op 8 december 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.