Uitspraak
verblijvende te [verblijfplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 december 2020.
Hoge Raad
In deze zaak heeft betrokkene cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 maart 2020, waarin werd beslist over een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
De kernvraag betrof of ambulante verplichte zorg gecombineerd kan worden met verplichte zorg bestaande uit opname in een accommodatie. De Hoge Raad verwijst hierbij naar een eerdere uitspraak van 25 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1508) waarin dit werd bevestigd.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van betrokkene schriftelijk heeft gereageerd.
De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar oordeelde dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 RO Pro).
De beschikking is op 4 december 2020 gegeven en het beroep is verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; ambulante verplichte zorg kan gecombineerd worden met opnamezorg.