ECLI:NL:HR:2020:1951

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 december 2020
Publicatiedatum
3 december 2020
Zaaknummer
20/01922
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROWet op de rechterlijke organisatieWvggz
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat ambulante verplichte zorg gecombineerd kan worden met opnamezorg

In deze zaak heeft betrokkene cassatie ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 maart 2020, waarin werd beslist over een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

De kernvraag betrof of ambulante verplichte zorg gecombineerd kan worden met verplichte zorg bestaande uit opname in een accommodatie. De Hoge Raad verwijst hierbij naar een eerdere uitspraak van 25 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1508) waarin dit werd bevestigd.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van betrokkene schriftelijk heeft gereageerd.

De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld maar oordeelde dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking. De Hoge Raad motiveert dit niet uitvoerig omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht (art. 81 lid 1 RO Pro).

De beschikking is op 4 december 2020 gegeven en het beroep is verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; ambulante verplichte zorg kan gecombineerd worden met opnamezorg.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01922
Datum4 december 2020
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
verblijvende te [verblijfplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT OOST-BRABANT,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/01/356120/ FA RK 20-873 van de rechtbank Oost-Brabant van 25 maart 2020.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de beschikking van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die beschikking. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
4 december 2020.