Uitspraak
wonende te [woonplaats],
Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
4 december 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Verzoekster had een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers met een betaling van 10,37% tegen finale kwijting, waarbij vijf schuldeisers instemden maar de gemeente Rotterdam weigerde. De rechtbank beval de gemeente tot instemming en bepaalde modaliteiten zoals de ingangsdatum en het gebruik van een gespaard saldo.
Het hof verklaarde verzoekster niet-ontvankelijk in hoger beroep, stellende dat art. 292 lid 3 Fw Pro geen hoger beroep tegen een bevel tot instemming met een schuldregeling toestaat, en oordeelde dat de rechtbank terecht haar discretionaire bevoegdheid had gebruikt om modaliteiten te wijzigen.
De Hoge Raad oordeelt dat verzoekster wel ontvankelijk was omdat het verzoek van de rechtbank in feite was afgewezen. De rechter heeft slechts de bevoegdheid om het verzoek toe te wijzen of af te wijzen, niet om de inhoud van de aangeboden schuldregeling te wijzigen. De rechtbank had de schuldregeling feitelijk gewijzigd door modaliteiten aan te passen zonder dat verzoekster dit had gedaan.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing. Tevens wordt opgemerkt dat bij afwijzing van het verzoek tot dwangakkoord het subsidiaire verzoek tot wettelijke schuldsaneringsregeling beoordeeld moet worden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling.