Uitspraak
wonende te Breda,
,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
in het incidentele beroep:
4 december 2020.
Hoge Raad
In deze zaak vordert de curator van het failliete aannemingsbedrijf [A] B.V. betaling van het resterende bedrag voor meerwerk dat nog niet was voltooid op het moment van faillissement. De overeenkomsten met de kopers bevatten een betalingsregeling waarbij het resterende bedrag pas opeisbaar wordt na voltooiing van het meerwerk. Na faillissement heeft de curator de overeenkomsten niet voortgezet en is het meerwerk door derden voltooid.
De rechtbank wees de vorderingen van de curator toe op grond van nakoming, inclusief contractuele rente. Het hof vernietigde dit oordeel en oordeelde dat de vorderingen op de faillissementsdatum nog niet waren ontstaan en dat nakoming daarom niet mogelijk was. Het hof kende de curator een vordering toe op grond van ongerechtvaardigde verrijking, waarbij verrekening met schadevorderingen van kopers mogelijk was. De toekenning van contractuele rente werd gehandhaafd.
De Hoge Raad bevestigt dat de betalingsverplichting van kopers pas ontstaat na voltooiing van het meerwerk en dat omzetting van de verbintenis in vervangende schadevergoeding de betalingsverplichting niet eerder doet ontstaan. De vorderingen van de curator tot betaling van het restantbedrag waren daarom nog niet ontstaan. Tevens vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de toewijzing van contractuele rente vanaf 2011 betreft en bepaalt dat vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is.
Uitkomst: De curator heeft geen recht op betaling van het resterende meerwerkbedrag vóór voltooiing en wettelijke rente geldt vanaf 2011 in plaats van contractuele rente.