ECLI:NL:HR:2020:1966

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 december 2020
Publicatiedatum
7 december 2020
Zaaknummer
19/04974
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep verdachte niet-ontvankelijk wegens ontbreken cassatiemiddelen

In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2019. Hoewel het beroep is ingesteld, zijn namens de verdachte geen cassatiemiddelen ingediend. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De Hoge Raad beoordeelt dat de wet voorschrijft dat een advocaat binnen een bepaalde termijn schriftelijk cassatiemiddelen moet indienen. Deze verplichting is niet nagekomen, waardoor de Hoge Raad het beroep niet in behandeling kan nemen. Dit volgt uit artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Op 8 december 2020 verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk. Het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/04974
Datum8 december 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2019, nummer 20-000088-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
8 december 2020.