ECLI:NL:HR:2020:198
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2014
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 maart 2019, waarin het hoger beroep was behandeld over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2014. De Staatssecretaris van Financiën heeft verweer gevoerd. Na het verstrijken van de termijn voor repliek heeft belanghebbende nog enkele geschriften ingediend, die door de Hoge Raad niet in aanmerking zijn genomen.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Gezien het ontbreken van vragen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering vereist op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Ten aanzien van de proceskosten is geen aanleiding voor een veroordeling. Het arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter en raadsheren M.A. Fierstra en P.A.G.M. Cools, en in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2020.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam bevestigd.