Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 december 2020.
Hoge Raad
Betrokkene heeft cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 april 2020 betreffende een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
De Hoge Raad heeft de klachten van betrokkene beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking. Er is geen noodzaak tot motivering omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming oproepen, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend en de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd.
Deze beschikking betreft de combinatie van ambulante zorg en opname in een accommodatie zoals geregeld in artikel 6:4 Wvggz Pro en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank gehandhaafd.