Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Amsterdam,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 januari 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Deze zaak betreft een procedure van erfgenamen die de bank aansprakelijk stellen voor schade geleden door een belegging in een failliet verklaard fonds. De kern van het geschil is of de vorderingen van de belegger verjaard zijn. De rechtbank wees de vorderingen af wegens gebrek aan causaal verband, terwijl het hof de vorderingen verjaard achtte.
De Hoge Raad stelt vast dat de verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen zodra de benadeelde voldoende zekerheid heeft dat de schade is veroorzaakt door foutief handelen van de bank. Het hof oordeelde dat dit moment lag bij het faillissement van het fonds in december 2006, omdat toen duidelijk was dat de belegging verlies zou leiden en dat de bank mogelijk tekortgeschoten was.
Echter, de Hoge Raad vindt dat het hof ten onrechte de feitelijke grondslag van het verjaringsberoep heeft aangevuld door te stellen dat het hogere verlies dan voorgespiegeld voldoende was voor bekendheid met aansprakelijkheid, terwijl de bank dit niet als verweer had aangevoerd. Ook is het oordeel over de aansprakelijkstelling in 2013 onvoldoende gemotiveerd.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.