ECLI:NL:HR:2020:2030

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
14 december 2020
Zaaknummer
19/01590
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 287 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep poging doodslag Maastricht 2015

In deze zaak stond een poging tot doodslag uit 2015 in Maastricht centraal, waarbij de verdachte met een mes in het bovenlichaam van het slachtoffer stak, wat leidde tot letsel aan de milt en een klaplong. De verdachte was in hoger beroep door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld. Vervolgens stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en daarbij de procureur-generaal de gelegenheid gegeven een advies uit te brengen. Het cassatieberoep bleek echter duidelijk niet te kunnen slagen, mede omdat er geen schriftelijk standpunt van de procureur-generaal was ingediend. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad daarom het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak werd gedaan op 15 december 2020 door de strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president V. van den Brink en met raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering. Het arrest bevestigt dat het ontbreken van een schriftelijk standpunt van de procureur-generaal in cassatieprocedures kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling voor poging tot doodslag in stand blijft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/01590
Datum15 december 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 22 maart 2019, nummer 20/001062-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De procureur‑generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 december 2020.