Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
15 december 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond een poging tot doodslag uit 2015 in Maastricht centraal, waarbij de verdachte met een mes in het bovenlichaam van het slachtoffer stak, wat leidde tot letsel aan de milt en een klaplong. De verdachte was in hoger beroep door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld. Vervolgens stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en daarbij de procureur-generaal de gelegenheid gegeven een advies uit te brengen. Het cassatieberoep bleek echter duidelijk niet te kunnen slagen, mede omdat er geen schriftelijk standpunt van de procureur-generaal was ingediend. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft de Hoge Raad daarom het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd gedaan op 15 december 2020 door de strafkamer van de Hoge Raad, onder voorzitterschap van vice-president V. van den Brink en met raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering. Het arrest bevestigt dat het ontbreken van een schriftelijk standpunt van de procureur-generaal in cassatieprocedures kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling voor poging tot doodslag in stand blijft.