Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.De conclusie van de advocaat-generaal
4.Beoordeling van de aanvraag
5.Beslissing
24 mei 2022.
Hoge Raad
In deze zaak is een aanvraag tot herziening ingediend tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch uit 2019, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor poging tot doodslag in Maastricht in 2015. De aanvrager betoogde dat het hof tot vrijspraak zou zijn gekomen indien het bekend was geweest met nieuwe getuigenverklaringen waaruit zou blijken dat niet hij, maar zijn broer het slachtoffer had gestoken.
De Hoge Raad overwoog dat de nieuwe verklaringen niet als een nieuw gegeven in de zin van artikel 457 lid 1 sub c Sv Pro konden worden aangemerkt. De verklaring van een getuige die zou zijn teruggekomen op een eerder belastende verklaring tastte de eerder gebruikte bewijsvoering niet aan. Daarnaast was de verklaring van de broer van de aanvrager, dat hij de dader was, reeds bekend bij het hof. Andere verklaringen die de schuld van de broer bevestigen, werden als onvoldoende gewicht beschouwd.
De advocaat-generaal had geconcludeerd tot afwijzing van de aanvraag, en de Hoge Raad volgde dit advies. De aanvraag tot herziening werd derhalve ongegrond verklaard en afgewezen. Hiermee blijft de veroordeling van vier jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt de veroordeling tot vier jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag.