ECLI:NL:HR:2020:2041

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 december 2020
Publicatiedatum
15 december 2020
Zaaknummer
20/01571
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een informatiebeschikking van de Staatssecretaris van Financiën.

Het beroepschrift voldeed echter niet aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat het geen gronden van het beroep bevatte. De griffier van de Hoge Raad heeft de advocaat van belanghebbende hierop gewezen en hem in de gelegenheid gesteld dit binnen zes weken te herstellen.

De advocaat heeft vervolgens aangegeven niet langer als gemachtigde op te treden, waarna belanghebbende zelf de gelegenheid kreeg het verzuim te herstellen. Belanghebbende heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende op te leggen. Het arrest werd op 18 december 2020 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden in het beroepschrift.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/01571
Datum18 december 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] , Monaco (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 maart 2020, nr. 18/01048, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 16/6735) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven informatiebeschikking.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Het beroep in cassatie is namens belanghebbende ingesteld door een advocaat. Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.
De griffier van de Hoge Raad heeft de advocaat bij aangetekende brief van 8 juni 2020 in de gelegenheid gesteld dat verzuim binnen zes weken te herstellen. De advocaat heeft daarop bij fax van 11 juni 2020 aan de griffier bericht niet meer op te treden als gemachtigde van belanghebbende.
De griffier van de Hoge Raad heeft vervolgens belanghebbende in de gelegenheid gesteld het hiervoor bedoelde verzuim binnen zes weken te herstellen. Belanghebbende heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 6:6 Awb Pro het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en J.A.R. van Eijsden, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.