De zaak betreft een geschil tussen investeerders uit Moldavië en Kazachstan over beslaglegging op aandelen van Samruk-Kazyma JSC, een staatsfonds van Kazachstan, in de Nederlandse vennootschap KMG Kashagan B.V. De investeerders vorderen verhaal op deze aandelen wegens een arbitraal vonnis tegen Kazachstan dat niet is nagekomen.
De voorzieningenrechter en het hof Amsterdam oordeelden dat Samruk feitelijk geen zelfstandigheid heeft en misbruik maakt van haar juridische zelfstandigheid om immuniteit van executie te ontlopen. Het hof verwierp het beroep op immuniteit van executie omdat de onmiddellijke bestemming van de aandelen niet publiek zou zijn.
De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde. De immuniteit van executie geldt in principe voor eigendommen van vreemde staten, tenzij is vastgesteld dat deze voor andere dan publieke doeleinden worden gebruikt. De bewijslast daarvoor ligt bij de beslagleggers. De Hoge Raad verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de aard van de aandelen en hun bestemming.
De Hoge Raad veroordeelt de verweerders in de kosten van het cassatieproces en benadrukt dat de beoordeling van immuniteit van executie niet beperkt is tot de onmiddellijke bestemming van de goederen maar ook de uiteindelijke bestemming moet omvatten. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.