ECLI:NL:HR:2020:211

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 februari 2020
Publicatiedatum
6 februari 2020
Zaaknummer
19/01446
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake onteigeningsrecht en termijn aanvaarding

In deze zaak hebben eisers cassatie ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2019 betreffende een geschil over onteigeningsrecht, met name over het doel van onteigening, een bijkomend aanbod en de termijn voor aanvaarding.

De Provincie Noord-Holland trad op als verweerder en heeft verweer gevoerd tegen het cassatieberoep. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de Provincie schriftelijk heeft gereageerd.

De Hoge Raad heeft de klachten van eisers beoordeeld en geoordeeld dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het vonnis. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie is geen nadere motivering vereist omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en de eisers veroordeeld tot betaling van de kosten van het cassatiegeding, inclusief verschotten en salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente bij niet tijdige betaling.

Het arrest is gewezen door de vicepresident en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 7 februari 2020.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eisers wordt verworpen en zij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/01446
Datum7 februari 2020
ARREST
In de zaak van
1. [eiseres 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiseres 3] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERESSEN tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [eisers],
advocaat: J.P. van den Berg,
tegen
PROVINCIE NOORD-HOLLAND,
zetelende te Haarlem,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de Provincie,
advocaat: M.W. Scheltema.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het vonnis in de zaak C/16/459617/HL ZA 18-18 van de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2019.
[eisers] hebben tegen het vonnis beroep in cassatie ingesteld. De Provincie heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de Provincie toegelicht door haar advocaat en mede door S.J.M. Bouwman.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de Provincie heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het vonnis van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat vonnis. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Provincie begroot op € 882,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff en F.J.P. Lock, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
7 februari 2020.