Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
ingrijpende wijziging plan
subonderdelen Ib, Ic en Idkiezen alle als vertrekpunt dat het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit wordt onteigend is het realiseren van een weg die
voor een ieder toegankelijkzou zijn. De Eigenaren ontlenen dit vertrekpunt aan een passage in het onteigeningsbesluit. In die passage reageert de Kroon op het betoog van onder meer de Eigenaren dat de Provincie een zakelijk recht had moeten aanbieden om de weg afsluitbaar te maken. De passage luidt als volgt (de zin waarop de Eigenaren in het bijzonder het oog hebben, cursiveer ik):
Deze weg zal voor een ieder toegankelijk zijn.De wens van reclamanten om de ontsluitingsweg afsluitbaar te maken door de vestiging van een zakelijk recht is niet verenigbaar met de functie voor het afwikkelen van het openbare verkeer die deze weg zal krijgen. Naar ons oordeel kan dan ook niet van verzoeker worden verlangd om in de biedingen toezeggingen te doen over het vestigen van een dergelijk zakelijk recht.’
Nieuwe ontsluiting Venetapark
uitvoeringvan het werk. Voor zover nog van belang: uit zowel het uitgewerkte plan van uitvoering als het provinciaal inpassingsplan blijkt dat vanaf het begin zorg bestond over het mengen van ander (langzaam) verkeer met vrachtverkeer; die zorg was zelfs de reden waarom de noordelijke ontsluitingsweg noodzakelijk werd geacht.
uitvoeringvan het werk. [14]
bijkomendeaanbiedingen, omdat het voorzieningen betreft die worden aangeboden naast de verplichte aanbieding van schadeloosstelling in de dagvaarding tot onteigening (art. 22 Ow Pro). Bijkomende aanbiedingen hebben ook afgezien van de context van het onteigeningsgeding betekenis, omdat ze een aanbod betreffen in de zin van het burgerlijk recht (art. 6:217 e.v. BW). Wordt een aangeboden bijkomende voorziening door de onteigende aanvaard voordat het aanbod als vervallen moet worden beschouwd (onder meer art. 6:221 BW Pro), dan komt eenvoudig een overeenkomst tot stand, die partijen bindt.
subonderdelen IIb, IIc en IIdgeven een onjuiste voorstelling van zaken omtrent het karakter van het door de Provincie gedane bijkomende aanbod. Het aanbod betreft een recht (onder voorwaarde) om de percelen te mogen terugkopen. Aanvaarding van het aanbod verplicht de Eigenaren dus niet tot terugkoop, maar verschaft hen slechts een recht. Reeds hierom kunnen de klachten geen doel treffen.
prima facie, in het onderdeel niet de klacht dat onbegrijpelijk is dat de rechtbank aan de gestanddoening van het bijkomend aanbod een termijn heeft verbonden, althans dat de beslissing omtrent de lengte van die termijn onbegrijpelijk is. Omdat het aanbod een voorziening betreft die eerst op termijn gevolgen heeft, lag mijns inziens voor de hand dat de rechtbank de gestanddoening zou hebben bevolen tot op ten minste het eindvonnis omtrent de schadeloosstelling (vergelijk hiervoor onder 3.27). De rechtbank heeft de termijn die zij aan de gestanddoening door de Provincie heeft verbonden bovendien de ongelukkige vorm gegeven dat de Eigenaren het aanbod binnen veertien dagen dienen te aanvaarden ‘bij gebreke waarvan het bijkomend aanbod als vervallen moet worden beschouwd’. Als al een termijn nodig was, volstond dat die termijn werd verbonden aan het bevel tot gestanddoening, omdat het aan de Provincie kan worden overgelaten of zij tegen een aanvaarding na afloop van de termijn bezwaar heeft. Ook daarover lijkt mij het cassatiemiddel echter niet te klagen. Eventueel zijn dergelijke klachten op praktische gronden welwillend in onderdeel II in te lezen.