Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag over het gebruik van een tolk die niet is ingeschreven in het Register beëdigde tolken en vertalers tijdens een strafproces. Het hof had in het proces-verbaal vastgelegd dat een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar was, waardoor van een niet-beëdigde tolk gebruik werd gemaakt.
De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende schriftelijk had gemotiveerd waarom van een niet-beëdigde tolk gebruik was gemaakt, zoals vereist in artikel 28 lid 4 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof, mede gelet op de wetsgeschiedenis, toereikend had gemotiveerd dat een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar was en dat het gebruik van de niet-beëdigde tolk schriftelijk was vastgelegd. Bovendien waren er geen bezwaren van de verdachte tegen de inzet van deze tolk.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee dat het hof voldoende aan zijn motiveringsplicht had voldaan. Dit arrest benadrukt het belang van schriftelijke vastlegging en motivering bij het afwijken van het gebruik van beëdigde tolken in strafzaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft toereikend gemotiveerd waarom een niet-beëdigde tolk werd ingezet.