Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag. De verdachte stelde in cassatie onder meer een beroep op noodweerexces aan de orde.
De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde dit advies. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte onvoldoende waren om het arrest van het hof te vernietigen. Daarbij verwees de Hoge Raad naar een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2020:235) en stelde dat nadere motivering niet nodig was.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president van Schendel en raadsheren van den Brink en van Strien. Het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef en de veroordeling voor medeplegen poging doodslag definitief werd bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen poging doodslag blijft in stand.