Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
11 februari 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin verdachte werd veroordeeld tot 14 jaar gevangenisstraf wegens zedendelicten, waaronder verkrachting, gepleegd op drie tienermeisjes en vier jongvolwassen vrouwen binnen een geloofsgemeenschap waarvan hij oprichter en geestelijk leider was.
De verdediging stelde onder meer klachten in over de bewijsvoering, met verwijzing naar het bewijsminimum (unus testis-regel, art. 342 lid 2 Sv Pro), en over de strafmotivering, waarbij werd aangevoerd dat de opgelegde straf binnen het Koninkrijk verbazing zou wekken en de detentieomstandigheden onbegrijpelijk zouden zijn.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het vonnis. Omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, hoefde de Hoge Raad geen nadere motivering te geven.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen, waarmee het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de 14 jaar gevangenisstraf.