Conclusie
tweede middelklaagt over de uitleg die het Hof heeft gegeven aan de artikelen 2:197 en 2:201 Sr. Als ik het middel goed begrijp dan heeft het Hof de in beide bepalingen vereiste dwang zo ruim uitgelegd dat daarmee de verdachte in zijn “seksueel verkeer” met meerderjarigen in feite aan dezelfde normen wordt gehouden als die in art. 2:203 Sr Pro zijn neergelegd voor “seksueel verkeer” met minderjarigen, en die inhouden dat ontuchtige handelingen strafbaar zijn indien “misbruik van de feitelijke verhoudingen” wordt gemaakt. Het Hof zou daarmee een te ruime uitleg hebben gegeven aan de bestanddelen van de artikelen 2:197 en 2:201 Sr.
derde middelklaagt over de hoogte van de opgelegde straf die onvoldoende gemotiveerd zou zijn en schending van het “ne peior-beginsel”. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de verdachte voor één van de feiten in Nederland vervolgd had kunnen worden en dat hij dan niet tot een zo langdurige gevangenisstraf zou zijn veroordeeld. Door de strafvervolging van dit ene feit aan Curaçao over te dragen, is de verdachte in een nadeliger positie geplaatst wat in strijd is met het “ne peior-beginsel”.
vierde middelklaagt over de motivering van de opgelegde vrijheidsstraf die “binnen het Koninkrijk verbazing wekt.” Aangevoerd wordt concreet dat de motivering van de straf onbegrijpelijk is “voor wat betreft de detentieomstandigheden”. Voor het overige bevatten het middel en de toelichting meer algemene opmerkingen over de strafmotivering die niet resulteren in een concrete klacht. Als voorbeeld noem ik de opmerking dat het Hof “met de bevolking van Curaçao” de wens lijkt te uiten “dat seksuele relaties altijd evenwichtig, op basis van gelijkheid tussen de seksen en/of betrokken personen en met wederzijdse instemming worden onderhouden. Waarbij teleurstellingen of schaamte achteraf niet aan [de] orde zijn.” In verband met de strafmotivering wordt hierop aansluitend opgemerkt dat het Hof met betrekking tot de verdachte heeft “vastgesteld dat hij zich niet heeft gedragen binnen de grenzen van deze ideële normen”. Dat is geen concrete klacht tegen de strafmotivering. In zoverre merk ik ten overvloede op dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de verdachte zich niet heeft gedragen binnen de grenzen van “ideële normen” maar de grenzen heeft overschreden die in het Wetboek van Strafrecht zijn gesteld.
vijfde middelklaagt over het aan de verdachte als bijkomende straf opgelegde “beroepsverbod” waarmee is afgeweken van art. 1:21, vierde lid, Sr waarin is bepaald dat de bijzondere voorwaarden de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet zal mogen beperken.
zesde middelklaagt over de verbeurdverklaring van twee personenauto’s. Het oordeel van het Hof dat de onder de verdachte inbeslaggenomen personenauto’s vatbaar zijn voor verbeurdverklaring omdat “met behulp daarvan een aantal van de in de zaak met parketnummer 500.00119/16 bewezen verklaarde feiten is begaan”, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet, althans niet zonder meer, begrijpelijk. Aangevoerd wordt dat het feit “niet begaan [is] mét het voorwerp” en dat “een direct (inhoudelijk) verband tussen de voertuigen en de bewezenverklaarde feiten ontbreekt”.