ECLI:NL:HR:2020:264

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2020
Publicatiedatum
13 februari 2020
Zaaknummer
19/00866
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:290 BWArt. 7:296 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte wegens dringend persoonlijk gebruik

In deze zaak hebben de huurders cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het gerechtshof Amsterdam waarin de opzegging van hun huurovereenkomst voor bedrijfsruimte werd bevestigd. De verhuurder had de huurovereenkomst opgezegd op grond van dringend persoonlijk gebruik in verband met renovatie, zoals bedoeld in artikel 7:296 BW Pro.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van de huurders niet leiden tot vernietiging van de arresten van het hof. Omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering vereist volgens artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad bepaalt dat de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen op 14 maart 2020. De huurders worden veroordeeld om uiterlijk op die datum het gehuurde te verlaten en te ontruimen, inclusief de aanwezige goederen en personen, en de sleutels aan de verhuurder te overhandigen. Tevens worden zij veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

De uitspraak bevestigt de mogelijkheid voor verhuurders om een huurovereenkomst bedrijfsruimte op te zeggen wegens dringend persoonlijk gebruik, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De Hoge Raad sluit hiermee het geschil af en bevestigt de eerdere rechtspraak van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurders wordt verworpen en de huurovereenkomst eindigt op 14 maart 2020.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/00866
Datum14 februari 2020
ARREST
In de zaak van
1. [huurder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [huurder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [de huurders],
advocaat: J. den Hoed,
tegen
[verhuurder],
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verhuurder],
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak 5024752 CV EXPL 16-13412 van de kantonrechter te Amsterdam van 28 november 2016;
de arresten in de zaak 200.210.700/01 van het gerechtshof Amsterdam van 19 juni 2018 en 20 november 2018.
[de huurders] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verhuurder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [de huurders] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van deze arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie). De Hoge Raad zal een nieuwe datum bepalen waarop de huurovereenkomst tussen partijen eindigt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- bepaalt als datum waarop de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot [het pand] te Amsterdam eindigt 14 maart 2020;
- veroordeelt [de huurders] om voor of uiterlijk op 14 maart 2020 het gehuurde met de daarin vanwege [de huurders] aanwezige goederen en personen te verlaten en te ontruimen, met afgifte aan [verhuurder] van de sleutels, en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van [verhuurder] te stellen;
- veroordeelt [de huurders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verhuurder] begroot op € 407,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [de huurders] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
14 februari 2020.