Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 februari 2020.
Hoge Raad
In deze zaak hebben de huurders cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het gerechtshof Amsterdam waarin de opzegging van hun huurovereenkomst voor bedrijfsruimte werd bevestigd. De verhuurder had de huurovereenkomst opgezegd op grond van dringend persoonlijk gebruik in verband met renovatie, zoals bedoeld in artikel 7:296 BW Pro.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van de huurders niet leiden tot vernietiging van de arresten van het hof. Omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering vereist volgens artikel 81 lid 1 RO Pro.
De Hoge Raad bepaalt dat de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen op 14 maart 2020. De huurders worden veroordeeld om uiterlijk op die datum het gehuurde te verlaten en te ontruimen, inclusief de aanwezige goederen en personen, en de sleutels aan de verhuurder te overhandigen. Tevens worden zij veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
De uitspraak bevestigt de mogelijkheid voor verhuurders om een huurovereenkomst bedrijfsruimte op te zeggen wegens dringend persoonlijk gebruik, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De Hoge Raad sluit hiermee het geschil af en bevestigt de eerdere rechtspraak van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurders wordt verworpen en de huurovereenkomst eindigt op 14 maart 2020.