ECLI:NL:HR:2020:285
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt cassatieregeling bij veroordeling na vrijspraak in hoger beroep
De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken, maar in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag, zware mishandeling en het voorhanden hebben van een wapen en munitie. De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in hoger beroep omdat het Nederlandse stelsel niet voldoet aan artikel 14 lid 5 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Dit artikel vereist dat een veroordeelde het recht heeft op een feitelijke herbeoordeling door een hogere rechter.
De verdediging betoogde dat de cassatieprocedure in Nederland niet voorziet in een feitelijke herbeoordeling, maar slechts een juridische toetsing, waardoor het recht op een effectieve beroepsmogelijkheid wordt geschonden. Het hof verwierp dit verweer met de overweging dat artikel 14 IVBPR Pro niet rechtstreeks toepasbaar is en geen een ieder verbindende bepaling vormt.
De Hoge Raad bevestigt deze lijn en overweegt dat de cassatieprocedure, waarin ook de bewijsvoering door het hof kan worden getoetst, niet in strijd is met artikel 14 lid 5 IVBPR Pro. De Hoge Raad verwijst naar de uitleg van het VN-Mensenrechtencomité dat een toetsing aan de bewijsvoering in cassatie voldoende is en dat een volledige herbeoordeling niet vereist is. Daarom is het beroep van de verdachte ongegrond en wordt het verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte in hoger beroep.