Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
18 februari 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) ten laste van de betrokkene, geboren in 1974. De betrokkene was betrokken bij ripdeals gepleegd door een internationale bende. Het geschil betrof de toepassing van de pondspondsgewijze verdeling van het w.v.v. over de betrokken personen.
De betrokkene stelde dat het hof de w.v.v. had moeten verdelen over in totaal 13 personen, in plaats van alleen over degenen die direct bij de desbetreffende ripdeal waren betrokken. De Hoge Raad heeft dit betoog beoordeeld en geoordeeld dat het hof niet onjuist had gehandeld. De klachten konden niet leiden tot vernietiging van het arrest.
De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.E.M. Röttgering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.