ECLI:NL:HR:2020:328
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak over navorderingsaanslag na uitstelverzoek na indiening aangifte
De zaak betreft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2010 opgelegd aan belanghebbende. De aangifte was ingediend op 25 maart 2011, terwijl op 27 april 2011 door de belastingadviseur van belanghebbende uitstel werd gevraagd voor het indienen van aangiften, waaronder die van belanghebbende, conform de Beconregeling. De Inspecteur verleende uitstel tot 1 mei 2012.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat de navorderingsaanslag die in april 2016 werd opgelegd buiten de aanslagtermijn viel, omdat het uitstel geen verlenging van de aanslagtermijn gaf wanneer de aangifte al was ingediend op het moment van het uitstelverzoek. Daarom vernietigde het Hof de navorderingsaanslag, boetebeschikking en beschikking inzake heffingsrente.
De Hoge Raad stelde in cassatie vast dat het uitstel ook een verlenging van de aanslagtermijn inhoudt, ook als de aangifte al was ingediend toen het uitstel werd gevraagd. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof en verwees de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling, met inachtneming van dit arrest.
De Hoge Raad volgde in zijn oordeel de argumenten uit een gelijktijdig arrest (ECLI:NL:HR:2020:254). Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren op 28 februari 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling.